Lang voordat er luchtfoto’s bestonden, tekenden kaartmakers Nederlandse steden alsof ze erboven zweefden, huis voor huis en gracht voor gracht. Die stadsplattegronden uit de zestiende en zeventiende eeuw waren militair geheim, statussymbool of handelswaar. Nu zijn ze een onmisbare bron voor wie wil weten hoe een stad er vier eeuwen geleden bij lag.
Historische stadsplattegronden in het kort
| Wat | Getekende, geschilderde of gedrukte kaarten en vogelvluchten van steden |
|---|---|
| Bloeitijd | Zestiende en zeventiende eeuw |
| Pionier | Jacob van Deventer, circa 250 tot 260 stadskaarten vanaf 1559 |
| Eerste stedenatlas | Civitates orbis terrarum, zes delen, 1572-1617 |
| Nederlands hoogtepunt | Toonneel der Steden van Joan Blaeu, 1649 |
Amsterdam van bovenaf: Cornelis Anthonisz
In 1538 schilderde de Amsterdammer Cornelis Anthonisz (circa 1505-1553) in opdracht van het stadsbestuur wat geldt als de eerste volledige kaart van Amsterdam. Zes jaar later, in 1544, volgde zijn vogelvlucht van de stad als houtsnede, gedrukt van twaalf houtblokken. Die prent is zijn bekendste werk. Ze werd tot ver in de zeventiende eeuw gekopieerd en herdrukt, omdat ze als betrouwbaar gold. Veel van de gebouwen die erop staan, bestaan nog.
De vorm die Anthonisz koos, was typerend voor zijn tijd. Kaartmakers uit de zestiende en vroege zeventiende eeuw combineerden graag een plattegrond van straten en water met gebouwen in opstand, alles op ongeveer dezelfde schaal. Zo zie je in één oogopslag waar iets ligt én hoe het eruitziet.
Jacob van Deventer: steden in kaart voor de koning
De eerste die de steden van de Nederlanden systematisch in kaart bracht, was Jacob van Deventer. Hij werd rond 1500 of 1505 geboren, waarschijnlijk in Kampen, groeide vermoedelijk op in Deventer en schreef zich in 1520 in aan de universiteit van Leuven. Hij was een van de eersten die stelselmatig met driehoeksmeting werkte en bracht in 1536 een gedrukte kaart van Brabant uit. Keizer Karel V benoemde hem in 1540 tot keizerlijk cartograaf.
In 1559 kreeg hij van koning Filips II de opdracht van zijn leven: alle steden van de Nederlanden in kaart brengen. In ongeveer vijftien jaar maakte hij zo’n 250 tot 260 stadsplattegronden, allemaal op een schaal van circa 1:8000, van Friesland tot Noord-Frankrijk. In 1572 week hij vanwege de Opstand uit naar Keulen, waar hij in 1575 overleed.
Gedrukt werden de kaarten niet. Ze hadden militaire waarde en bleven dus binnenskamers, raakten vergeten en werden pas in de negentiende eeuw herontdekt. Ze leggen de steden vast in de jaren rond het begin van de Opstand, de tijd waarin veel plaatsen nieuwe vestingwerken kregen.
De stad als koopwaar: Braun en Hogenberg
Waar Van Deventer voor één opdrachtgever werkte, mikten anderen op de markt. In 1572 verscheen het eerste deel van Civitates orbis terrarum, de eerste atlas met stadskaarten. De Keulse geestelijke Georg Braun stelde het werk samen en schreef de teksten; Frans Hogenberg, afkomstig uit Mechelen, graveerde de platen voor de eerste vier delen. Het was bedoeld als tegenhanger van de wereldatlas van Ortelius uit 1570 en groeide tot 1617 uit tot zes delen met 546 stadsgezichten, vogelvluchten en plattegronden. De atlas verkocht goed en zette voor ruim een eeuw de toon.
Blaeu en de grote stedenboeken
In de zeventiende eeuw werden de kaarten groter en gedetailleerder. De kaartmaker Balthasar Florisz van Berckenrode, rond 1591 in Delft geboren, maakte in 1625 een kaart van Amsterdam op negen bladen, die aan elkaar geplakt één groot stadsbeeld vormen. Hij werkte samen met de uitgever Willem Blaeu.
Diens zoon Joan Blaeu (1596-1673) gaf rond 1649 het Toonneel der Steden uit, een verzameling plattegronden van Nederlandse steden. Het werk bestaat uit een deel over de steden en vestingen van de Republiek en een deel over die van de Spaanse Nederlanden. In 1662 volgde de Atlas Maior, elf delen met ongeveer 600 kaarten, het duurste boek van de zeventiende eeuw. In 1672 legde een brand Blaeus werkplaats in de as.
Wat oude kaarten nu nog doen
Deze kaarten zijn meer dan decoratie. Heusden is het duidelijkste voorbeeld: toen daar in 1968 de restauratie van het stadje begon, zijn de verdwenen vestingwerken herbouwd naar de plattegrond die Blaeu in 1649 uitgaf. Een zeventiende-eeuwse prent werd zo een bouwtekening.
Toch vraagt het gebruik om voorzichtigheid. Een vogelvlucht is een tekening en geen opmeting, en een geliefde prent werd soms nog decennia gekopieerd en herdrukt, zoals die van Anthonisz. Onderzoekers leggen oude kaarten daarom naast de eerste perceelskaarten van het Kadaster uit 1832 en naast wat er in de bodem en in de gebouwen zelf wordt gevonden. Hoe dat gaat, staat in het artikel over onderzoek naar de historische stad. Dat een plattegrond van vier eeuwen oud in veel binnensteden nog steeds als wegwijzer bruikbaar is, komt mede doordat die gebieden als beschermd stadsgezicht zijn aangewezen. Schilders keken op hun eigen manier naar dezelfde straten; zie het stadsgezicht in de schilderkunst.
Waar je ze kunt zien
Van de kaarten van Jacob van Deventer zijn twee reeksen bewaard. In 1859 werden 152 werkkaarten, de zogeheten minuten, teruggevonden in Nederlandse provinciale archieven en in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel; een deel daarvan, uit Middelburg, ging in de Tweede Wereldoorlog verloren en is alleen in kopie bekend. De netkaarten voor de koning liggen in de Nationale Bibliotheek in Madrid. Van de drie banden is er één verdwenen; 179 kaarten zijn over.
Van de Amsterdamse kaart van Van Berckenrode uit 1625 bezit de Universiteit van Amsterdam een aaneengeplakt en ingekleurd exemplaar; het Rijksmuseum heeft een ongekleurd blad met het stadscentrum.
Bronnen: Wikipedia: Jacob van Deventer, Wikipedia: Civitates orbis terrarum, Wikipedia: Joan Blaeu, Wikipedia: Cornelis Anthonisz. Laatst bijgewerkt: 10 oktober 2026.