Tot in de jaren`60 van de 20ste eeuw verdienden in Nederland veel mannen en vrouwen hun boterham in de textielindustrie. De geschiedenis van deze boeiende bedrijfstak vinden we terug in het Nederlands Textielmuseum in Tilburg. Het is een museum in bedrijf met draaiende textielmachines: historische en hypermoderne.
Brabantse thuiswever achter weefgetouw, Hendrik Adriaan Christiaan Dekker, aquarel, 1890, hoogte 36 cm x breedte 45 cm, inv.nr. 5169,  ©  Nederlands Textielmuseum Tilburg

Vanaf 1860 kwam in ons land de industrialisatie op gang. Er kwamen steeds meer fabrieken waar machinale textiel werd geproduceerd. Toch bleef de huisnijverheid, zoals het thuis weven voor de fabrikant, nog tot in de 20ste eeuw bestaan. Vooral in Noord-Brabant, waar voornamelijk wollen stoffen werden geweven, werkten de wevers thuis op hun brede getouwen. Met de kruiwagen haalden ze de garens op en leverden de geweven stoffen af aan de fabriek. In Tilburg werkten in 1910 nog zon 350 mensen (mannen en vrouwen) als thuiswever. Het was zwaar en eentonig werk.

Groepsfoto van Christiaan Mommers met stafpersoneel van wollenstofenfabriek C. Mommers & Co. In Tilburg, anoniem, albuminedruk, 1889, hoogte 15 cm x breedte 22 cm, inv.nr. F0500, © Nederlands Textielmuseum Tilburg
Vaandel Meisjes Textiel Vereeniging St. Lidwina Goorle, velours, zijde, geborduurd, beschilderd, 1905, hoogte 203 cm x breedte 104 cm, inv.nr. 5427 (bruikleen), Foto: Nederlands Textielmuseum Tilburg
Fabrieksklok van AaBe, Wollenstoffenfabrieken in Tilburg, metaal, glas, 1950, diameter 80 cm, inv.nr. 5238, Foto: Nederlands Textielmuseum Tilburg

De huisnijverheid verween in de twintiger jaren. Vanaf dat moment werd er in de textiel nog uitsluitend in de fabrieken gewerkt. Het werken in de textiel ging vaak van vader op zoon. Jongens kwamen met veertien jaar van school en begonnen in de fabriek als leerling-spinner of wever of als loopjongen. Op de avondtextielschool konden ze verder leren om hogerop te komen. Ook meisjes werkten in de textielfabriek. Ze waren bijvoorbeeld spoelster. Hun werk bestond uit het verwisselen van conen met opgespoelde garens en het aan elkaar knopen van geknapte draden. Een ander vrouwenberoep was nopster en stopster. Deze meisjes en vrouwen moesten de geweven doeken controleren op onregelmatigheden en deze met een naald of schaar wegwerken.In de jaren ’50 veranderde er veel in de fabrieken. Er moest efficiënter en nog productiever gewerkt worden. Omdat de machines steeds moderner werden kregen arbeiders wel vijf of zes machines tegelijk te bedienen. Ook het werk in ploegendienst (bijvoorbeeld dag-, avond- en nachtploegen) nam toe. De arbeidsomstandigheden werden verbeterd of aangenamer gemaakt door kantines te bouwen en bij grotere fabrieken sportvelden aan te leggen.

Vanaf eind jaren ’50 ging het echter bergafwaarts met de textielindustrie. De Nederlandse industrie bleek niet bestand tegen de groeiende concurrentie uit het buitenland. Door de oprichting van de EEG in 1957 nam de handel binnen Europa toe en verdwenen allerlei handelsbelemmeringen. Ook van buiten Europa nam de concurrentie toe. De geïndustrialiseerde landen kregen te maken met invoer van goedkope textiel uit ontwikkelingslanden: landen waar de lonen laag waren. Reorganisaties, overnames en fusies konden het tij niet keren: de meeste textielfabrieken hielden er in de jaren ’60 en ’70 mee op. Fabrieken gingen dicht, machines werden verkocht of verschroot, en arbeiders verloren hun baan. Bij sommige grote fabrieken, zoals Van Heek & Co. in Enschede, stonden in één klap 2000 mensen op straat. Een groot deel van de oudere mensen kwam in de WAO terecht. Jongeren werden omgeschoold voor ander werk.

Interieurfoto ververij met verfhaspels bij firma De Regenboog in Tilburg, Sjef van Delft, kleurenfoto, ca. 1950-1959, inv.nr. F0141, © Nederlands Textielmuseum Tilburg

Er zijn nog altijd textielfabrieken in Nederland. Nog circa 11.500 mensen werken in de textiel. De fabrieken hebben hun eigen specialisatie. AaBe Textiles in Tilburg bijvoorbeeld komt voort uit de AaBe Wollenstoffen en Wollendekenfabrieken, die eind jaren ’90 de poorten sloot. Hier worden, naast dekens en plaids, bekledingen voor vliegtuigstoelen gemaakt. De wevers van vroeger heten nu operator. Zij bedienen computergestuurde machines en verrichten nauwelijks meer handwerk.

De speciale multimediatentoonstelling Werken in de textiel (vanaf januari 2004) belicht de mens achter de machine. Door middel van gefilmde portretten, documentaire film- en geluidsfragmenten, voorwerpen die als je ze benadert een verhaal beginnen te vertellen en de enscenering van een sprekend wevershuis, kom je van alles te weten over het werken in de textiel, van ca. 1860 tot nu.

Hanneke Oosterhof

Internet
Op de website van het Nederlands Textielmuseum Tilburg is sinds kort de collectie digitaal te raadplegen. Het zoeksysteem is nog in ontwikkeling en wordt steeds verder uitgebreid.