Volgens de leerplichtwet moet je tot je 16de jaar verplicht naar school. Dat is niet bedacht om kinderen te pesten maar juist om ze te beschermen. De invoering van deze wet in 1900 was het sluitstuk van een serie maatregelen die een eind moesten maken aan de kinderarbeid in Nederland.

 Spotprent tegen de uitbuiting van kinderen, Albert Hahn?
Kinderen helpen mee met het boeten van netten
Kinderarbeid in de kledingindustrie, 1819, houtsnede, Collectie Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis © IISG
Lichaamshouding van jeugdige arbeiders bij lage spinmachine, Autotypie, boekillustratie. Voor het eerst gepubliceerd in het Centraal Verslag der Arbeidsinspectie 1914. Collectie Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis © IISG
Samuel van Houten en het kinderwetje, afbeelding uit de Nederlandsche Spectator, 1874, Collectie Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis © IISG
De tekst boven het plaatje luidt: “De eerste wet, te danken aan het initiatief der Tweede kamer”. Tekst onder het plaatje: “De fabriekskinderen: Leve mijnheer van Houten”.

Eeuwenlang was het normaal dat kinderen, ook de allerkleinsten, meehielpen om het gezinsinkomen te verdienen. Ze werkten mee op het platteland met het binnenhalen van de oogst of in de huisindustrie met het naaien van kleding of het weven van stoffen.
Met de industrialisatie rond het midden van de 19de eeuw werd de kinderarbeid een probleem. Kinderen gingen met hun ouders mee naar de fabriek waar zij zware arbeid verrichtten en lange dagen maakten, soms tot wel 16 uur per dag. Ook werkten ze vaak met gevaarlijke machines zodat ongelukken geen zeldzaamheid waren. Een onderzoek uit 1859 toont aan dat er ongeveer 450.000 kinderen tussen de zes en elf jaar waren die werkten.

Toenemend verzet tegen kinderarbeid
De liberalen, die de regeringen na 1848 domineerden, waren tegen de inperking van de vrijheid van ondernemers, dus ook tegen wetgeving tegen kinderarbeid. Bovendien zagen zij de goedkope arbeid van kinderen als een manier om te kunnen concurreren met het buitenland.
Rond 1870 ontstond een liberale hervormingsbeweging die wel sociale wetten wilde invoeren om arbeiders (met name vrouwen en kinderen) te beschermen. Er kwam langzaam meer aandacht voor het fabrieksleven, ook door de propaganda-activiteiten tegen de kinderarbeid van mensen als de arts Samuel Sr. Coronel en de schrijver J.J. Cremer. Langzaam groeide bij de mensen het besef dat arbeid erg schadelijk was voor de psychische en lichamelijke gezondheid van kinderen. Verder ontstond er aan het eind van de 19de eeuw een toenemende behoefte aan geschoolde arbeid. Het was dus voordelig om kinderen eerst naar school te sturen voordat ze hoefden te werken. Deze ontwikkelingen en de toenemende druk van de publieke opinie maakten het mogelijk dat er een wet tegen kinderarbeid kwam.

Het kinderwetje van Van Houten
Het sociaal-liberale Tweede Kamerlid Mr. Samuel van Houten nam het initiatief voor de Wet van 19 september 1874, houdende maatregelen tot het tegengaan van overmatigen arbeid en verwaarloozing van kinderen. Dit zogenaamde kinderwetje verbood werken in fabrieken en werkplaatsen door kinderen onder de 12 jaar. De wet voorzag in strafbepalingen voor overtreders van de wet, maar niet in enige controle op naleving van de wet. Ook waren er veel uitzonderingsbepalingen en viel kinderarbeid in de landbouw of huishoudelijk werk er niet onder.

De enquête van 1887 en haar gevolgen
In 1887 stelde de Tweede Kamer een parlementaire enquête in naar de situatie in fabrieken en werkplaatsen. De Kamer was benieuwd of de wet uit 1874 voldeed en kinderarbeid tot het verleden behoorde. De parlementaire enquête bewees het tegendeel. Doordat fabrieken niet werden gecontroleerd op naleving van de wet was er daar nog steeds sprake van kinderarbeid.

Het einde van de kinderarbeid in Nederland
De parlementaire enquête van 1887 was aanleiding om nieuwe wetten te introduceren die stapje voor stapje de kinderarbeid terugdrongen. De Arbeidswet van 1889 verbood arbeid voor kinderen jonger dan twaalf jaar ook voor de landbouw en bevatte een aantal regels om de arbeid van kinderen jonger dan zestien jaar te beperken. Inspecteurs werden aangesteld om te controleren of iedereen zich aan de wet hield.
In 1900 aanvaardde de Tweede Kamer de leerplichtwet, die kinderen vanaf zes tot twaalf jaar verplichtte thuis of op school onderwijs te volgen.
Het waren deze wetten (en aanvullingen daarop in latere jaren) die definitief een einde hebben gemaakt aan kinderarbeid in Nederland. Kinderen gaan tegenwoordig naar school tot hun zestiende jaar en werken alleen na school of in de vakantie in de supermarkt of als krantenbezorger.